Home

Hoofdmenu

Login Form



Welkom opPTSS
Protocol EMDR PDF Afdrukken E-mail
Geschreven door frank   
zondag 25 oktober 2009 19:25
ptss E.M.D.R.-procedure 1 1. Introductie

a. Rapport
b. Eventueel metingen:
  • SVL-score:
  • SCL-90-Score (psyneur):
  • PTSS-ZS-score:

c. Zo nodig beantwoording van vragen n.a.v. de EMDR-brochure

d. Specifieke instructies:

"Ik. ga straks een aantal vragen stellen over jouw herinneringen aan de gebeurtenis waaraan we gaan werken. Op een gegeven moment zal ik je vragen je te concentreren op bepaalde aspecten van de herinnering. Met name zal ik je vragen naar het plaatje in je hoofd dat nu nog het naarste is om aan te denken".


e. Opstelling van de stoelen, afstand en snelheid (bij gebruik van oogbewegingen)

f. Demonstratie gebruik van de CD (bij gebruik auditieve stimuli). Koptelefoon op laten zetten voordat de gebeurtenis wordt besproken Afspraken over en demonstratie van 'hand-taps'

"Ik. wil je vragen vanaf het moment dat je mijn hand volgt/je de klikjes hoort je min of meer op te stellen als een toeschouwer, die waarneemt wat er door je heen gaat. 'Het kunnen gedachten,

gevoelens, beelden, emoties, lichamelijke reacties of mogelijk nog wel andere dingen zijn het kan

gaan over de gebeurtenis zelf, maar het kan ook over heel andere dingen gaan, die er niets mee te maken lijken te hebben. Volg maar gewoon wat er opkomt, zander te sturen en zander jezelf af te vragen of het wel goed gaat. In ieder geval is het belangrijk dat je niet probeert om het beeld waarmee we straks beginnen telkens in gedachten te houden. Het beeld is slechts het vertrekpunt van waaruit alles kan en mag opkomen. Af en toe gaan we wel terug naar het beeld om te controleren hoe naar het dan nog is om naar te kijken. Onthoud dat het onmogelijk is het fout te doen zolang je maar gewoon volgt wat er is en wat er opkomt. "

1 © Erik ten Broeke & Ad de Jongh, versie februari 2008

2. Traumatische herinnering

a. Bespreek in grote lijnen de negatieve ervaring.

"Vertel me dan nu in' grote lijnen hoe jij je de nare gebeurtenis momenteel nog herinnert, vanaf het punt waar het naar jouw gevoel begint tot het punt waar het naar jouw gevoel echt eindigt. Beschrijf de gehele gebeurtenis in grote lijnen. Het gaat er om hoe jij je de gebeurtenis herinnert en niet zo zeer om wat er precies is gebeurd".

b. Target:

"Je hebt net verteld hoe je je de gebeurtenis van toen nog herinnert. Nu vraag ik je: wat is op dit moment, als je er vanuit het hier en nu op terug kijkt, het naarste plaatje van die gebeurtenis? Zet als het ware de film in je hoofd stil op dat beeldje, zodat het een stilstaand beeld wordt. We zoeken naar een plaatje waarin jij zelf te zien bent. Het gaat er dus niet om wat je destijds het naarste vond, maar wat je nu, op dit moment, het naarste vindt om naar te kijken" "Hoe ziet dit beeld er uit"? "Waar zie jij je zelf in het plaatje"? (Dus: beschrijving van een stilstaand beeld

met daarin de cliënt zelf).

Of

"Stel dat er een fotoboek bestaat in je hoofd, waarin foto's staan van hoe jij je deze gebeurtenis momenteel nog herinnert. Het zijn allemaal foto's waarop jijzelf te zien bent. Welke foto is dan op dit moment het naarste om naar kijken?" "Wat zie jij op die foto?;" "Waar zie jij jezelf in het plaatje?".

Check: "Even voor de zekerheid, is dit het plaatje wat je echt nu het naarste vindt om aan te denken, of is het vooral het plaatje waarop te zien is watje toen het naarste vond?"

Eventueel een tekening laten maken: "Maak een tekening van het meest nare plaatje van deze gebeurtenis. Een plaatje waar je zelf ook in staat en dat een goede afspiegeling vormt van wat maakt dat deze gebeurtenis nog steeds zo naar is als je er nu aan terugdenkt. "


Vraag je af: luisterend naar het verhaal en kijkend naar het gekozen targetbeeld - in welk domein . (vermoedelijk) de negatieve cognitie is te vinden, dwz:

  • Verantwoordelijk & schuld (bv "Ik ben schuldig" )

  • Controle (bijv. "Ik ben machteloos/hulpeloos")

  • Zelfwaardering (bijv. "Ik ben waardeloos, stom, slecht, walgelijk, laf)

  • Kwetsbaarheid (bijv. "Ik ben zwak")

  • Veiligheid (betreft de situatie) (bijv. "Ik ben - (gevoelsmatig) nog steeds - in gevaar")

3. Negatieve cognitie (NC)

"Wat we nu moeten uitzoeken is hoe het komt dat juist dit plaatje nu nog zo naar voor je is als je er in je hoofd naar kijkt.

[Gebruik een van de volgende formuleringen (a, b of c) om de juiste NC te identificeren]

a. "Wat maakt dat dit beeld nu nog zo naar voor je is?"

"Hoe noem je zo iemand?"…

b. "Waarschijnlijk heeft het feit dat het plaatje nu nog zo naar voor je is te maken met een negatieve conclusie die je trekt over jezelf met betrekking tot deze gebeurtenis"'..............

'Welke conclusie is dat?" "'Hoe noem je zo iemand?"..........

c. "Als je kijkt naar dit beeld, welke uitspraak over jezelf past daar dan het best bij?'"

Behulpzame vragen: "Wat zegt dat over jou als persoon?" "Hoe wordt zo iemand vaak genoemd?"

Check: "Even voor de zekerheid: dus als je kijkt naar c: 7.t beeld en je zegt: 'lk ben ' , dan raakt dat je nu het meest?'"

NC:

Alvorens verder te gaan, check:

  • Disfunctioneel?

  • Heeft betrekking op P. als persoon?

  • Actueel geldig? (formuleer in tegenwoordige tijd)

  • Affect geladen? (dus geen compromis als resultaat van 'onderhandeling'!)


Indien er meerder mogelijke NCs zijn waaruit het voor de client maar moeilijk kiezen is gebruik dan onderstaande formulering:

"Kijk naar dat beeld en zeg tegen jezelf 'Ik ben (NC1).' blijf naar het beeld kijken en zeg tegen jezelf “Ik ben (NC2).' welke van die twee combinaties raakt je op dit moment dan het

meest? "

4. a. Gewenste (positieve) cognitie (PC)

"Als je dat beeld weer voor de. geest haalt, wat zou je willen geloven over jezelf, in plaats van

………..[NC] ?":

  • Verantwoordelijk & schuld: "Ik heb gedaan wat ik kon" of"ik ben onschuldig"

    Controle: "Ik kan het (herinneringsbeeld) aan"

    Zelfwaardering: "Ik ben OK, de moeite waard, competent" of "Ik deug"

    Kwetsbaarheid: "Ik ben sterk, weerbaar"

  • Veiligheid (betreft de situatie): "Ik ben (nu) veilig"

Behulpzame vragen: Hoe noem je zo iemand?

Ken je iemand die geen…..(NC) is? Hoe noem je zo iemand?

PC: Alvorens je verder gaat: check

    Ligt op dezelfde dimensie als de NC (maakt NC 'onhoudbaar1? Zoek de pc altijd in hetzelfde cognitieve domein als waarin de NC is gevonden.

  • Functioneel ('Empowering)?

  • Heeft betrekking op P. als persoon?

  • Bereikbaar / realistisch / passend?

  • Is geen 'poging de geschiedenis te herschrijven'?

  • Bevat geen ontkenning (niet of geen) en ook geen 'wel'?

b. Geloofwaardigheid (VOC 1-7):

"Terwijl je kijkt naar het beeld in je hoofd, hoe geloofwaardig voelt de uitspraak - Positieve cognitie dan nu aan op een 7-puntsschaal, waarbij 1 betekent 'volledig ongeloofwaardig' en 7 'volledig geloofwaardig'?"

VoC =

Bij gebruik van de CD: "Sluit dan nu je ogen"

5. a. Emotie

"Ais je het beeld weer in gedachten neemt en tegelijkertijd tegen jezelf zegt…….[NC}, welke emotie, bijvoorbeeld bang, boos, bedroefd, voel je dan op dit moment?":

b. Spanning (SUD 0-10)

"Terwijl je kijkt naar het beeld en je zegt tegen jezelf [NC] hoe naar is het dan om naar het beeld te kijken (of hoe hoeveel spanning geeft dat?), geschat op een schaallopend van 0, helemaal niet naar, tot en met 10, zo naar als maar kan?"

SUD=

c. Plaats van gevoel

"Waar in je lichaam voel je dat ('die naarheid') het sterkst?"

6. a. Desensitisatie (m.b.v. 'sets' oogbewegingen; pas aan wanneer je auditieve of tactiele stimuli gebruikt)

Bii gebruik van handbewegingen:

Houd je hand klaar voor de ogen van de patiënt

"Kijk naar (de toppen van) mijn vingers"

Neem het beeld in gedachten, zeg tegen jezelf [NC]"

"Wees je bewust van dat gevoel in je [locatie van het gevoel"

Geef even de tijd zich te concentreren

"Volg mijn hand"

Serie oogbewegingen (circa een halve minuut)

"Wat komt er op"/"Wat gaat erdoor je heen"/"Wat merkje?" (geen dialoog beginnen!) "Concentreer je daar op"/"Ga daar mee door"

Serie oogbewegingen Enz.

Bii gebruik van de koptelefoon:

"Houd je ogen gesloten en neem het beeld in gedachten zeg tegen jezelf {NC) en wees je

bewust van dat gevoel in je (noem de locatie van het gevoel) "

Geef even de tijd zich te concentreren

((Concentreer je op de tikjes en wacht af wat er op komt"

Klikjes gedurende ca. 60 seconden

((Wat komt er op"/"Wat gaat er door je heen" /"Wat merkje?" (geen dialoog beginnen!) "Concentreer je daar op"/"Ga daar mee door"

Klikjes gedurende ca. 60 seconden Enz.

Doorgaan totdat er zich geen nieuwe veranderingen meer aandienen ('einde van een associatieketen') of in ieder geval iedere 5 - 10 minuten.

Back to target

a). Test SUD. "Ga terug naar het oorspronkelijke beeld, zoals het nu in je hoofd ligt opgeslagen. Op een schaal van 0-10, waarbij 0 betekent helemaal niet naar of helemaal neutraal, en 10 betekent zo naar als maar kan (zo gespannen als je maar kan zijn), hoe naar is het dan nu om naar het beeld te kijken?” (NU DUS ZONDER DAT DE NC WORDT GEBRUIKT!). Indien SUD > 0:

b). "Welk aspect van dat beeld veroorzaakt die naarheid of spanning (eventueel het cijfer noemen, bijvoorbeeld 'Wat in het beeld veroorzaakt nog die 4?'). "Wat zie je?”

c). "Concentreer je op dat aspect. Ja, heb je dat?"

Series oogbewegingen en associaties totdat er geen verandering meer is, en in ieder geval binnen 10 minuten associëren [dan terug naar a.]
'Back to target'-procedure herhalen totdat SUD = 0. Indien SUD = 0: "Weetje absoluut zeker dat er niet ergens nog een heel klein restje naarheid zit? Span je in om je te laten raken".
Zo nodig desensitisatie vervolgen. Als het oorspronkelijke bee1d helemaal neutraal aanvoelt >>Installatie (stap 7)

7. Instalatie van de PC:

a). Test VOC (met PC + beeld)
"Neem het oorspronkelijke beeld, zoals het nu in je hoofd ligt opgeslagen, in gedachten en zeg tegen jezelf…….[PC]". Op een schaal van (volledig onwaar) tot en met 7 volledig waar), hoe waar voelt die uitspraak dan aan?
b). Instructies: "Kijk naar het beeld en zeg tegen jezelf [PC] "Ja, heb je dat?”
c). Nieuwe set oogbewegingen of serie klikjes starten
Niet vragen naar associaties!
Nu weer verder met a. Blijf doorgaan (a, b & c) net zo lang totdat de VoC 7 is geworden

8. Body scan (Alleen als je nog voldoende tijd over hebt in de zitting)

a). "Sluit je ogen, neem het beeld in gedachten
scan je hele lichaam , van top tot teen en kijk of er nog ergens spanning opkomt"
b). In geval van spanning: set(s) oogbewegingen en vraag "Wat komt er op"?

Doorgaan tot de spanning weg en/ of er geen nieuwe associaties meer zijn.

* Check nog eenmaal het hele 'filmpje' of 'fotoboek' om te controleren of er echt geen 'beeldjes' meer zijn die naar zijn om naar te kijken. Als dit wel het geval is: identificeer dit herinneringsbeeld, maak dit tot een nieuw target (nieuwe NC/PC) en start een nieuwe EMDRprocedure, indien daar tijd voor is.

9. Future template (Alleen indien dit zinvol is)

a). Laat de cliënt een beeld in gedachten nemen van een toekomstige situatie die tot nu wordt vermeden (of met veel angst wordt doorstaan) en/ of angstig wordt geanticipeerd.
b). "Neem dat beeld in gedachten, en zeg tegen jezelf: "Ik kan dit aan", Ja heb je dat?
c). Serie oogbewegingen
d). "Neem dat beeld opnieuw in gedachten, op een schaal van 1 tot en met 7, in welke mate kan je dat nu aan of het ook echt te doen?"
e).Installeren (b, c & d) met afleidende stimulus totdat VoC niet verder meer stijgt (analoog aan installatie van de (PC)

NB: niet vragen naar spanning/SUDs; Niet vragen naar associaties!

10. Positief afsluiten (aan het eind van iedere sessie; staat los van targetbeeld).

a). "Wat is het meest positieve datje het afgelopen uur over jezelf hebt geleerd met betrekking tot dit thema (of met be trekking tot deze gebeurtenis)"
b). Zo nodig: "Wat zegt dat over jou zelf (als persoon Of "Hoe noem je zo iemand?"
c). Set oogbewegingen (extra lange set)
d). "Is er nog iets anders positiefs wat opkomt?" "
e). Doorgaan als er nog iets positiefs opkomt; dwz. installeren met oogbewegingen of andere afleidende stimulus totdat er geen verdere (positieve) veranderingen meer optreden.
Uitleg over komende (drie) dagen, afspraken: dagboek, bereikbaarheid etc.

Laatste aanpassing ( donderdag 26 maart 2015 14:38 )
 
EMDR: therapie voor PTSS PDF Afdrukken E-mail
Behandelmethode - protocol
Geschreven door Administrator   
donderdag 12 februari 2009 00:21
ptss EMDR behandelmethode voor gevolgen ingrijpende gebeurtenissen
EMDR is een therapie voor het overwinnen van de verwoestende psychische gevolgen die ingrijpende gebeurtenissen kunnen hebben. Gebeurtenissen zoals mishandeling, bedreiging, overval, aanranding, ongeval, het overlijden van een geliefde, opname in een ziekenhuis, separatie en pesterijen kunnen blijvende ernstige psychische gevolgen hebben. Deze psychische gevolgen worden gekenmerkt door terugkerende herinneringen, angstdromen en slaapstoornissen, emotionele uitbarstingen: huilen, schreeuwen en overprikkelbaarheid. De ernst en langdurigheid belemmeren maatschappelijk functioneren. Deze toestand noemt men posttraumatisch stress syndroom(PTSS)

Pas sinds 1980 wordt PTSS erkend als een stoornis en is PTSS opgenomen in de DSM-IV TRDSM-IV TR:
Staat voor:DIAGNOSTIC AND STATISTICAL MANUAL OF MENTAL DISORDERS FOURTH EDITION TEXT REVISION. gepubliceerd door American Psychiatric Association, is de standaard classificatie van geestes stoornissen die gebruikt wordt door de medewerkers van GGZ in de VS en een groot aantal andere landen zoals Nederland.
. Voor het zover was beschouwden artsen PTSS niet als een stoornis maar werd het fenomeen aan kwetsbaarheid en zelfs lafheid geweten. Wel was er bij medici al langer het besef dat mensen door extreme situaties zoals oorlog kunnen veranderen. In de eerste wereldoorlog werd bij soldaten het fenomeen shell shock beschreven. De symptomen van shell shock waren: gevoelsstoornissen, bewegingsstoornissen en slapeloosheid, angsttoestanden, emotionele labiliteit en hallucinaties.
Pas na de Viëtnam oorlog begonnen medici te beseffen dat ernstige gebeurtenissen individuen emotioneel kunnen verwoesten. Het duurde nog langer voordat er een behandelmethode werd ontwikkeld voor PTSS.

Francis Shapiro, een psychologe uit de Verenigde Staten ontwikkelde vanaf 1987 een behandelmethode voor PTSS en noemde deze methode EMDR. Het was haar opgevallen dat mensen die verontrustende herinneringen of gedachten ervaren naar aanleiding van ernstige gebeurtenissen, emotionele afstand kunnen nemen van deze herinneringen wanneer zij gelijktijdig hun ogen snel heen en weer bewegen.

Na een aantal succesvolle experimenten ontwikkelde zij een behandelingsprotocol voor patiënten met een PTSS.

EMDR(Eye Movement Desentisation reprocessing). Vrij vertaald: Door het heen en weer bewegen met de ogen raken pijnlijke herinneringen en gedachten die je in het hier en nu hebt, je minder hard Gelijktijdig ervaar je dat deze herinneringen zich op een andere en productieve manier herschikken.

Het is gebleken dat een groot aantal mensen die jarenlang lijden aan zeer pijnlijke herinneringen aan een traumatische gebeurtenis, na een tot enkele behandelingen, door middel van EMDR blijvend geen last meer hebben van deze herinneringen. Zij zijn na behandeling hun herinneringen uiteraard niet kwijt maar kunnen er aan terugdenken zonder uit balans te raken. Tijdens de therapie treedt een verwerkingsproces naar verleden, heden en toekomst op waarbij patiënten niet alleen de traumatische gebeurtenis herinneren maar ook allerlei gedachten en emoties, ervaren die troostend, steunend en inzichtgevend zijn en soms zelfs geen verband lijken te houden met de traumatische herinneringen. De traumatische herinnering wordt als het ware door henzelf in een breder perspectief gezet en lijkt daardoor zijn kracht te verliezen.


Volgens Shapiro, de ontwikkelaar van EMDR, moet de verklaring voor de effecten die onder invloed van EMDR optreden worden gezocht in een toegenomen snelheid van informatieverwerking: Accelerated Information Processing (AIP). Uitgangspunt van het AIP-model is de veronderstelling dat traumatische ervaringen als disfunctionele informatie (in de vorm van angstwekkende beelden, disfunctionele cognities, negatief affect en fysieke sensaties) in een statische toestand lgeïsoleerd liggen opgeslagen in zogenoemde neurale netwerken.

Het is deze situatie die aanleiding zou geven tot klachten, waaronder flashbacks en nachtmerries. Volgens Shapiro's AIP-model beschikt ieder mens over een aangeboren informatieverwerkingssysteem. De EMDR procedure zou de opgeslagen traumatische informatie in het neurale netwerk niet alleen toegankelijk maken, maar tegelijkertijd het natuurlijke verwerkingssysteem activeren en stimuleren zodat de opgeslagen disfunctionele informatie wordt getransformeerd in een meer adaptieve, functionele vorm. Shapiro's theorie veronderstelt dat de combinatie van het intern gericht zijn op de traumatische gebeurtenis en de aandacht voor de afleidende stimulus er toe leidt dat er in het neurale netwerk verbindingen tot stand worden gebracht tussen de opgeslagen disfunctionele informatie en andere bestaande, en meer gezonde informatie en opvattingen. Dit zou vervolgens leiden tot een desensitisatie en een cognitieve herstructurering van de traumatische beleving.

Het verklaringsmodel waarvoor op dit moment de meeste empirische steun bestaat is het Orienting Response Model. Volgens dit model bestaat er een fylogenetisch detecteringsmechanisme dat er voor zorgt dat de omgeving wordt afgespeurd om vast te stellen of er gevaar dreigt. Deze alertheid op de omgeving kan worden beschouwd als een primair overlevingsmechanisme van onze soort. De OR wordt uitgelokt wanneer zich in de omgeving van een organisme een stimulus voordoet die mogelijk relevante informatie bevat. Het optreden van de OR zou het effect hebben dat nagenoeg alle andere activiteiten tijdelijk worden onderbroken. Dit gebeurt, volgens de theorie, om te kunnen nagaan of er inderdaad sprake is van gevaar en of er door het individu directe actie ondernomen moet worden. In het geval van EMDR zou de afleidende stimulus ertoe leiden dat de aandacht wordt gericht op de herinnering, echter zonder dat er massale vermijding kan plaatsvinden. Hierdoor kan nieuwe, functionele informatie tot het cognitieve systeem doordringen.
MacCulloch en Feldman (1996) komen met een andere verklaring op basis van het OR-model. Zij stellen dat indien er gevaar wordt waargenomen er een 'fight-flight-response' optreedt, maar omgekeerd zou er een natuurlijke ontspanningsreactie ('de-arousal') optreden indien blijkt dat er van gevaar geen sprake is. De afleidende stimuli die in EMDR worden toegepast zouden in dit geval door het organisme worden beschouwd als veiligheidssignaal waardoor er automatisch een de-aroural effect optreedt. Omdat de cliënt tegelijkertijd een akelige herinnering in zijn hoofd heeft vindt er een vorm van contra-conditionering plaats, doordat er een nieuwe en veilige associatie wordt gevormd tussen de oorspronkelijk nare herinnering en de automatisch gegenereerde ontspanningsreactie. Recent experimenteel onderzoek ondersteunt deze theorie (Barrowcliff, Gray, MacCulloch, Freeman, MacCulloch,


EMDR blijkt met name succesvol bij mensen die een eenmalige ingrijpende gebeurtenis meegemaakt hebben zoals een mishandeling, ernstig ongeval, overval, verkrachting of oorlogshandeling. Er is inmiddels veel wetenschappelijk onderzoek naar EMDR gedaan wat daadwerkelijk aantoont dat mensen met een eenduidig gediagnosticeerde PTSS, na behandeling met EMDR daadwerkelijk blijvend geen PTSS meer bleken te hebben. Naast cognitieve gedragstherapie: imaginaire exposure ist EMDR de enige evidence based behandeling voor patiënten met een PTSS en als zodanig een eerste keus behandeling die door de American psychiatric association, de International Society for Traumatic Stress Studies en het Nederlands Kenniscentrum voor Angst en depressie wordt aanbevolen. Andere vormen van psychotherapie en behandeling met medicijnen zijn tot nu toe niet als bewezen effectief gebleken.

EMDR kan ook toegepast worden bij mensen met een over een langere periode traumatische gebeurtenissen hebben meegemaakt. Verder wordt EMDR toegepast bij paniekstoornissen, sociale angst, stemmingsstoornissen, gestagneerde rouw, obsessief compulsieve stoornissen, gegeneraliseerde angststoornissen, aanpassingsstoornis, burnout, eetstoornissen, en psychose met die aantekening dat het niet zozeer gaat om de verandering van een specifieke stoornis zoals bijvoorbeeld een obsessief compulsieve stoornis of psychose maar om het mogelijk maken van stressvermindering voorzover er sprake is van als traumatisch beleefde gebeurtenissen in het leven van deze patiënten.

Hoe gaat EMDR in zijn werk:
EMDR is veel meer dan alleen oogbewegingen, en de therapeut dient te weten wanneer en welke procedures nodig zijn om de verwerking te laten plaatsvinden

Fase I: Geschiedenis en behandelplan:
Deze fase duurt 1-2 sessies. De therapeut bespreekt met patiënt de geschiedenis van zijn klachten, zijn gedrag ten gevolge van deze klachten, zijn symptomen en diens herinneringen aan de traumatische gebeurtenis. Hierna volgt de bespreking van het behandelplan. Tijdens dit proces worden door therapeut en patiënt een duidelijk doel(target genaamd)van EMDR vastgesteld. Deze target verwijst naar dat deel van de traumatische gebeurtenis die door patiënt als meest naar wordt ervaren wanneer hij vanuit het hier en nu terugkijkt.Verder definieert patiënt de belangrijkste vaardigheden die hij denkt nodig te hebben om betreffende situatie in de toekomst aan te kunnen.

Uitgangspunt is dus niet de volledige gebeurtenis maar een plaatje van de gebeurtenis dat patiënt als meest naar ervaart. Er is tevens aandacht voor het gevoel, en de fysieke sensatie die deze herinnering oproept. verder identificeert de therapeut de negatieve overtuiging die patiënt als gevolg van de ingrijpende gebeurtenis in de loop der tijd over zichzelf heeft geconstrueerd. Deze negatieve overtuiging wordt negatieve cognitie genoemd. Afgekort:NC.

Fase II: Voorbereiding:
Voor de meeste patiënten kost dit 1-4 sessies. Voor anderen, met een zeer getraumatiseerde achtergrond, of met bepaalde diagnoses, kan een langere tijd nodig zijn. In deze voorbereiding leert de therapeut de patiënt een aantal specifieke technieken, zodat deze met emotionele stress die zich kan voordoen, leert omgaan. Hierna kan doorgaans met de volgende fase worden doorgegaan. Een van de primaire doelstellingen van de voorbereidende fase is het tot stand brengen van een vertrouwensrelatierelatie tussen de patiënt en de therapeut. De patiënt zal immers niet in detail over zijn verontrustende herinneringen vertellen of nauwkeurig vertellen wat hij voelt en welke veranderingen hij wel (of niet) ervaart tijdens de oogbewegingen , indien hij zijn therapeut niet vertrouwt. Wanneer hij iets zegt omdat hij denkt dat de therapeut dit graag wil horen bijvoorbeeld dat hij zich beter voelt terwijl dit niet zo is, zal geen therapie in de wereld zal zijn trauma oplossen.

In elke vorm van therapie werkt het het beste wanneer de patiënt de therapeut ziet als een facilitator, of gids, die luistert naar alle pijn, nood, of teleurstellingen om de patiënt te helpen bij de verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstelling.

Tijdens de voorbereidende fase, zal de therapeut de theorie van EMDR, de procedure, en wat de persoon kan verwachten tijdens en na de behandeling uitleggen. Tenslotte leert de therapeut de patiënt een scala van ontspanningstechnieken om zichzelf tot rust te brengen wanneer emotionele spanningen ervaart die zich kunnen voordoen tijdens of na een sessie. Het leren van deze tools is een belangrijke steun voor iedereen. De gelukkigste mensen op deze planeet weten manieren om zich te ontspannen wanneer zij geconfronteerd worden met de onvermijdelijkheid van het leven, en vaak onverwachte, stress. Een doel van EMDR therapie is ervoor te zorgen dat de patiënt zichzelf kan redden.

Fase III:
Bij het vaststellen het trauma dat zal worden bewerkt met EMDR, wordt voorafgaand aan het begin van de oogbewegingen, een momentopname geïdentificeerd die het trauma en de emotionele overweldiging die ermee verbonden zijn in zich draagt. Deze momentopname wordt target genoemd en wordt gebruikt om de patiënt zich op te laten focussen. Om de juiste target te identificeren moet de patiënt worden aangemoedigd het hele verhaal van de nare gebeurtenis te vertellen. Dit om te voorkomen dat het actueel naarste deel van de gebeurtenis gemist wordt. Met het actueel naarste deel van de gebeurtenis wordt bedoeld, hetgeen de patiënt in het hier en nu het naarste deel van de gebeurtenis vindt. Dit kan dus verschillen van wat de patiënt destijds het naarste deel van de gebeurtenis vond.

Het juiste targetbeeld is dus een stilstaand beeld of snapshot, van het naarste deel van de gebeurtenis, het heeft zijn kracht in het hier en nu, is affectgeladen, en lijflijk voelbaar.

Verder wordt een negatieve cognitie geïdentificeerd. Met een negatieve cognitie wordt een negatieve uitspraak van de patiënt over zichzelf bedoeld wat voor hem als waar en logisch samenhangend aanvoelt kijkend naar de target en tegelijkertijd dysfunctioneel vanuit het oogpunt van een toehoorder en wanneer patiënt een rationele overweging maakt.. In verreweg het grootste deel betreft bij de getraumatiseerde patiënten betreft dit een negatieve zelfwaardering. Het kan echter ook zijn dat een patiënt zich schuldig voelt, onveilig een gebrek aan controle of kwetsbaar voelt.

Kijkend naar de situatie die voor patiënt als traumatisch wordt ervaren, wordt aan hem gevraagd hoe hij zichzelf liever had willen zien. Deze uitspraak over zichzelf wordt de positieve cognitie genoemd. Deze positieve cognitie wordt gezien als het doel waar in de therapie naar toe wordt gewerkt. De positieve cognitie: “Ik ben OK” dient als het ware vervangen te worden door de negatieve cognitie: “Ik ben waardeloos”. Belangrijk is verder dat de positieve cognitieve cognitie een empowering eenduideig en realistisch haalbaar doel is en niet beoogt de geschiedenis te herschrijven.

Alvorens verder te gaan met de therapie wordt een meting verricht door aan de patiënt te vragen hoe waar of valide de uitspraak: “Ik ben OK”, is wanneer hij nu kijkt naar het naarste

plaatje.: is niet waar en7 is volledig waar. Deze schaalmeting word de validity of cognition schaal genoemd, afgekort tot VOC.

Hierna breekt de desensitisatie fase aan.

Fase IV: De desensitisatie fase
De therapeut vraagt de patiënt door zijn ogen te sluiten, zich te concentreren op het nare plaatje, en de negatieve cognitie te herhalen, Om de emotionele spanning van de patiënt te verhogen wordt nagevraagd welk gevoel hij nu heeft wanneer hij naar de gebeurtenis en waar deze emotie en met welk gevoel in zijn lichaam gelocaliseerd is. Het doel van het verhogen van de emotionele spanning is als het ware een soort glijbaan te creëeren, zodat de patiënt wanneer het eigenlijke emdr proces begint als het ware vanzelf wordt voortgestuwd. Nu volgt een tweede meting. Nu vraagt de therapeut aan de patiënt hoe naar dit voor hem is op een schaal van 0 tot 10, waarbij 0 niet naar is en 10 een maximale naarheid vertegenwoordigd. Deze schaal wordt subjective units of disturbance genoemd ofwel SUD.

Daarna vraagt de therapeut de patiënt meestal tot het volgen zijn vingers die hij afwisselend van links naar rechts beweegt zodat ook de ogen van de patiënt heen en weer bewegen. Nadat de patiënt op deze manier ongeveer 25 seconden zijn ogen heen en weer bewogen heeft vraagt de therapeut aan de patiënt kort te vertellen wat er op komt. Dit kan dit een gedachte, een gevoel, een fysieke sensatie, een beeld, een herinnering, of een verandering van het beginplaatje zijn. Het is nadrukkelijk de bedoeling dat de therapeut zich niet bemoeit met de inhoud wat door de patiënt naar voren wordt gebracht. Ook wordt er niet gespiegeld of emphatisch gereflecteerd. De patiënt volgt zijn eigen asociatiespoor. Nadat de patiënt heeft verteld wat er opkomt vraagt de therapeut aan de patiënt zich te concentreren op deze gedachte, en begint een nieuwe reeks (set genoemd) van oogbewegingen. Nadat de patiënt aangegeven heeft dat er geen nieuwe associaties meer in hem opkomen of na ongeveer 6 sets, vraagt de therapeut hem terug te keren naar het oorspronkelijke plaatje en vraagt om een nieuwe inschatting van de graad van naarheid hiervan. Daarna vraagt de therapeut de patiënt wat op dat moment de graad van naarheid voor hem is.

In de regel is het zo dat de patiënt ervaart dat het nare plaatje op een grotere afstand komt en dat de graad van naarheid aan kracht verliest. De desensitisatie fase eindigt wanneer de SUD (Subjectieve Eenheden van Disturbance Scale) heeft bereikt, 0 of 1

fase V: De Installatie fase: De therapeut vraagt de patiënt of de gewenste positieve cognitie, nog steeds geldig is. Na Fase IV, kan de mening van de patiënt over de oorspronkelijke momentopname immers veranderd zijn. Mogelijk is er nu behoefte aan een andere PC. Daarna vraagt de therapeut aan de patiënt opnieuw aan de (nare) momentopname te denken en tegelijkertijd de PC uit te spreken. Ook de therapeut vraagt: "Hoe waar is deze pc of uitspraak op een schaal van 0 tot 7?" Nieuwe sets van oogbeweging worden gestart zolang de pc niet als volledig geldig of waar wordt beleefd. Belangrijk is dat in de vervolgsets niet meer wordt teruggekeken naar het nare plaatje.

Fase VI: De body scan:
Wanneer de VOC 7 is vraagt de therapeut aan de patiënt zijn lichaam te scannen op eventuele pijn, stress of ongemak. Zo ja, dan wordt de patiënt gevraagd zich te concentreren op bijvoorbeeld de zere knie en volgen nieuwe sets handbewegingen.

Fase VII: debriefing. therapeut geeft adequate informatie en ondersteuning.
Laatste aanpassing ( donderdag 26 maart 2015 14:37 )
 
Post traumatische stress stoornis PDF Afdrukken E-mail
Geschreven door Administrator   
woensdag 05 november 2008 22:51
ptss


Criterium A1:
Het wezenlijke kenmerk van een posttraumatische stressstoornis is de ontwikkeling van karakteristieke symptomen Symptoom:
De aanwijzingen die een persoon ervaart dat hij of zij lichamelijk of geestelijk ziek is
na blootstelling aan een gebeurtenis die extreme spanning veroorzaakt zoals: een dreigend overlijden, ernstig letsel, een bedreiging van de lichamelijke integriteit Integriteit:
Met integriteit worden meestal iemands persoonlijke waarden aangeduid zoals heelheid, puurheid, gaafheid, natuurlijkheid, eerlijkheid. Bij lichamelijke integriteit gaat het om de gaafheid van iemands lichaam.
, het getuige zijn van een gebeurtenis die omvat overlijden, lichamelijk letsel of een bedreiging voor de lichamelijke integriteit van een andere persoon, of het vernemen van onverwachte of gewelddadige dood, ernstige schade, of de dreiging van dood of letsel van een familielid of andere naaste.

criterium A2:
De reactie van de persoon of kind op de gebeurtenis moet gekenmerkt worden door intense angst, hulpeloosheid of afschuw en gepaard gaan met ongeorganiseerd en geagiteerd gedrag

symptomen:

Gebeurtenissen die als traumatische kunnen worden ervaren:

    Oorlogsgeweld.
    Met geweld gepaard gaande aanvallen tegen de persoon (seksueel misbruik, fysieke aanval, diefstal, overval), ontvoering, gijzeling, terroristische aanslagen, marteling, krijgsgevangenschap, concentratiekamp, de natuur- of industriële rampen, ernstige auto-ongevallen,
    gediagnosticeerd worden als patiënt met een levensbedreigende ziekte.
    Wanneer kinderen in aanraking komen met niet bij hun ontwikkeling en leeftijd horende seksuele ervaringen kunnen dit voor hen traumatische ervaringen vormen. Ook wanneer deze ervaringen niet gepaard gaan met bedreigingen of geweld
    Ooggetuige zijn van gebeurtenissen zoals ernstige verwondingen, een onnatuurlijke dood van een andere persoon ten gevolge van geweld, ongeluk, oorlog of ramp en van een lijk of losse lichaamsdelen.
    Het vernemen van gebeurtenissen die anderen (vrienden, familie) zijn overkomen zoals geweld, een ernstig ongeluk, een ernstige verwonding. het plotselinge, overlijden van een familielid of een naaste vriend, of het vernemen dat je kind een levensbedreigende ziekte heeft.
De stoornis kan ernstiger en langduriger worden naarmate de veelvuldigheid, nabijheid en intensiteit van de stressor groter is.

De traumatische gebeurtenis kan worden op verschillende manieren opnieuw herbeleefd worden:

Criterium B1:
De persoon kan terugkerende en intrusievezich aan hem opdringende herinneringen hebben aan de voor hem nare gebeurtenis

Criterium B2:
of terugkerende verontrustende dromen over de traumatische gebeurtenis .

Criterium B4
In zeldzame gevallen raakt de persoon in een dissociatieve toestand Bij een dissociatieve stoornis kunnen de volgende symptomen voorkomen:
  1. Amnesie : Wanneer iemand zich incidenten of ervaringen van gebeurtenissen uit een bepaalde periode niet kan herinneren
  2. Depersonalisatie : Een bewuste ervaring waarbij iemand het eigen lichaam als vreemd, niet vertrouwd, of niet echt ervaart.
  3. Derealisatie: Een bewuste ervaring waarin iemand zijn vertrouwde omgeving als vreemd en onvertrouwd ervaart.
  4. Identiteitsverwarring: Wanneer iemand zich onzeker voelt over wie hij is of moeite heeft hoe zich zelf te beschrijven.
  5. Identiteitswijziging: Wanneer er een verschuiving plaats vindt in de identiteit wat het gedrag op een dusdanige manier verandert dat het anderen opvalt.
die enkele seconden tot enkele uren of zelfs dagen kan duren. In deze toestand herbeleeft de persoon hetgeen hem tijdens de traumatische gebeurtenis overkwam. (Criterium B3).De persoon kan een intense psychische nood en fysiologische reactie ervaren wanneer hij blootgesteld wordt aan een gebeurtenis die lijkt op of symbool staat voor een gedeelte van de traumatische gebeurtenis bijvoorbeeld de verjaardatum, het weertype, een uniform, het betreden van een lift waarin je verkracht werd.

Criterium C2:
Stimuli die in verband staan met het trauma worden hardnekkig vermeden.

Criterium C1:
Personen doen moeite om te vermijden dat er gedachten, gevoelens of gesprekken zijn over de traumatische gebeurtenis gevoerd worden

Criterium C2
Activiteiten, situaties, of mensen die herinneren aan het trauma, worden vermeden.

Criterium C:
Er kan sprake zijn van het vergeten van Ook kan er geheugenverlies optreden voor een belangrijk aspect van de traumatische gebeurtenis.

Criterium C:
Een verminderd vermogen te reageren op de buitenwereld, ook wel: "psychologische gevoelloosheid" or "emotionele verdoving,"Het individu kan klagen over een sterk verminderde interesse of deelname aan eerder genoten activiteiten, Dit wordt beschreven als een psychische niet meer in staat zijn te voelen of een verdoving van de emoties. Dit begint meestal kort na de traumatische gebeurtenis

Criterium C5:
Of een gevoel van onthechting en vervreemding van andere mensen

Criterium C6:
Of niet meer in staat zijn gevoelens zoals tederheid, intiiteit en seksualiteit te ervaren. of een sterk verminderd vermogen tot het waarnemen van emoties zoals intimiteit, tederheid en seksualiteit.

Criterium C7:
Het individu kan het besef hebben geen toekomstverwachting meer te hebben (een carrière, huwelijk, kinderen, of een normale levensverwachting zit er niet meer in.

Criterium D1:
Het individu heeft hardnekkige symptomen van angst of verhoogde opwinding die niet aanwezig waren voor het trauma. Deze symptomen kunnen betreffen: moeilijk in slaap vallen of niet door kunnen slapen, dat kan te wijten zijn aan terugkerende nachtmerries waarin de traumatische gebeurtenis wordt herbeleefd ,

Criterium D2:
Sommige individuen melden geïrriteerdheid of uitbarstingen van woede

Criterium D4:
of concentratiestoornissen of het moeite hebben met het voltooien van taken (Criterium D3).


Criterium D5:
Een abnormaal hoge waakzaamheid en schrikreactie .



Terminologie:

Acuut: Deze aanduiding moet worden gebruikt wanneer de duur van de symptomen minder is dan 3 maanden.
Chronisch: wanneer de symptomen 3 maanden of langer aanhouden.
Vertraging van het beginstadium: Deze aanduiding geeft aan dat ten minste 6 maanden zijn verstreken tussen de traumatische gebeurtenis en het begin van de symptomen.

Verband houdende beschrijvende kenmerken en psychiatrische aandoeningen:
Personen met een posttraumatische stress stoornis kunnen pijnlijke schuldgevoelens hebben over overleven wanneer anderen niet hebben overleefd. of over de dingen die ze moesten doen om te overleven.

Fobisch vermijden van situaties of activiteiten die het oorspronkelijke trauma's symboliseren kunnen interfereren met interpersoonlijke relaties en leiden tot echtelijke conflicten, echtscheiding of het verlies van de baan. De volgende samenhangende constellatie van symptomen kunnen optreden en zijn vaker gezien in combinatie met een interpersoonlijke stressor (bijvoorbeeld seksueel of fysiek misbruik in de jeugd , huiselijk geweld, gijzeling, opsluiting als krijgsgevangenen of in een concentratiekamp, marteling): gevoelens van ineffectiviteit, schaamte, wanhoop, of hopeloosheid; gevoel permanent beschadigd te zijn, , vijandigheid, sociale terugtrekking; gevoel voortdurend bedreigd te zijn; verstoorde relaties met anderen, of een verandering van de individuele kenmerken van de vorige persoonlijkheid.

Het kan zijn dat er een verhoogd risico is op een paniekstoornis, agorafobie, obsessieve-compulsieve stoornis, sociale fobie, specifieke fobie, depressieve stoornis Somatisatie stoornis en verslaving. Het is niet bekend in welke mate deze aandoeningen voorafgaan aan of volgen op de eerste symptomen van posttraumatische stress stoornis.

Resultaten van gerelateerd laboratoriumonderzoek: Een verhoogde staat van opwinding wordt gemeten door het onderzoeken van autonome processen zoals de hartslag, spierspanning, de activiteit van de zweetklier.

Gerelateerd ichamelijk onderzoek bevindingen en algemeen medische omstandigheden:Algemeen medische aandoeningen kunnen voorkomen als gevolg van het trauma (bijv. hoofd schade, brandwonden).

Specifieke cultuur- en leeftijd gebonden eigenschappen:

Individuen die onlangs emigreerden uit de gebieden van grote sociale onrust en maatschappelijk conflict hebben een grotere kans op posttraumatische stress stoornis.

Deze personen kunnen vanwege hun kwetsbare politieke immigranten status terughoudend zijn met onthullingen over eventuele ervaringen met foltering en trauma's. Het vergt gespecialiseerde ervaring en kennis om de traumatische ervaringen en gelijktijdig symptomen van deze personen te kunnen beoordelen.

Bij jongere kinderen, treden verontrustende dromen op over de gebeurtenis op die binnen enkele weken, kunnen veranderen in nachtmerries over monsters en de reddingsdromen. Jonge kinderen hebben meestal niet bewustzijn dat ze het verleden herbeleven Zij beelden in plaats daarvan het trauma uit door middel van het herhaald naspelen met speelgoed auto's (in geval van een auto-ongeluk). Omdat het moeilijk is voor kinderen om verslag uit te brengen, zijn verminderde belangstelling voor belangrijke activiteiten, symptomen die zorgvuldig moeten worden beoordeeld door te luisteren naar verslagen van ouders, leerkrachten en andere waarnemers.

Bij kinderen blijkt een verminderd toekomstverwachting, door de overtuiging dat het leven te kort is om nog volwassen te worden. Er kan ook een verhoogde onheilsverwachting zijn en het menen waar te nemen van voortekenen die daar op duiden. Kinderen kunnen ook verschillende lichamelijke symptomen vertonen, zoals buik- en hoofdpijn.

De kans op een posttraumatische stresstoornis:
Op basis van studies van de gemeenschap blijkt dat de kans op een posttraumatische stress stoornis, variëreert van 1% tot 14%, afhankelijk van de meetmethoden en de onderzochte groep. Studies van risicogroepen (bijvoorbeeld oorlogsveteranen, slachtoffers van rampen of crimineel geweld) hebben risico percentages opgeleverd die variëren van 3% tot 58%.

Beloop:

Een posttraumatische stress stoornis kan zich op elke leeftijd voordoen, met inbegrip van de kindertijd. De symptomen beginnen meestal binnen de eerste 3 maanden na het trauma, ook al kan er een vertraging van maanden of zelfs jaren zijn, voordat de symptomen optreden. In de onmiddellijke nasleep van het trauma voldoet de verstoring in eerste instantie vaak aan de criteria voor acute stress stoornis. De symptomen van de aandoening en het relatief grotere aandeel van herbeleving, het vermijden, en symptomen van extreme opwinding kunnen variëren in loop van de tijd. De duur van de symptomen varieert, van volledig herstel binnen 3 maanden bij ongeveer de helft van de gevallen, tot aanhoudende klachten langer dan 12 maanden na het trauma.

De ernst, duur, en de nabijheid van de individuele blootstelling aan de traumatische gebeurtenis zijn de belangrijkste factoren die de kans op het ontwikkelen van deze aandoening vergroten. Er zijn aanwijzingen dat de sociale steun, familie-geschiedenis, jeugd ervaringen, persoonlijkheids factoren, en de reeds bestaande psychische stoornissen van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling van een posttraumatische stress stoornis. Deze aandoening kan zich ontwikkelen bij personen zonder predisponerende aandoeningen, met name wanneer de stressor bijzonder ernstig is.

Differentiële diagnose:

Bij een posttraumatische stress stoornis, moet de stressor in tegenstelling tot de aanpassingsstoornis – waarbij sprake kan zijn van enige ernst-, van een extreme -dat wil zeggen, levensbedreigende aard- zijn. De diagnose van aanpassingsstoornis is zowel geschikt voor situaties waarin de reactie op een extreme stressor niet voldoet aan de criteria voor posttraumatische stress stoornis (of een andere specifieke psychische stoornis) en voor situaties waarin het symptoom patroon van posttraumatische stress stoornis optreedt als reactie op een stressor die niet extreem is (bijvoorbeeld een scheiding, ontslagen worden).

Niet alle psychopathologie, bij personen blootgesteld aan een extreme stressor, moet noodzakelijkerwijs worden toegeschreven aan posttraumatische stress stoornis. Symptomen zoals vermijding, gevoelloosheid, en een verhoogde opwinding die aanwezig waren vóór men aan de stressor werd blootgesteld voldoen niet aan de criteria voor de diagnose van posttraumatische stress stoornis en vereisen een andere diagnose en behandeling (bv. Korte psychotische stoornis, conversie stoornis, depressieve stoornis), in plaats van of in aanvulling op, posttraumatische stress stoornis.

Acute stress stoornis onderscheidt zich van posttraumatische stress stoornis, omdat het symptoom patroon in acute stress stoornis binnen de 4 weken na de traumatische gebeurtenis moet zijn opgetreden en verdwenen. Indien de klachten langer dan 1 maand aanhouden en voldoen aan de criteria voor posttraumatische stress stoornis, dient de diagnose te worden gewijzigd van acute stress stoornis inposttraumatische stress stoornis

Bij een obsessieve-compulsieve stoornis, zijn er terugkerende indringende gedachten, maar die worden ervaren als oneigenlijk en zijn niet gerelateerd aan een ervaren traumatische gebeurtenis. Flashbacks in posttraumatische stress stoornis moeten worden onderscheiden van illusies, hallucinaties, en andere perceptuele stoornissen die zich kunnen voordoen bij schizofrenie, psychotische stoornissen, stemmings stoornissen met psychotische kenmerken, een delirium, drugs of alcohol gerelateerde, en psychotische stoornissen gerelateerd aan een algemene medische aandoening .

Simulatie moet worden uitgesloten in situaties waarin de financiële vergoeding, uitkering in aanmerking te komen, en forensische bevindingen een rol spelen.
309.81 DSM-IV criteria voor de posttraumatische stressstoornis

A. De persoon is blootgesteld aan een traumatische gebeurtenis en beide van de volgende gebeurtenissen waren aanwezig:

(1) de persoon onderging, was getuige van of werd geconfronteerd met een gebeurtenis of gebeurtenissen die die te maken hadden met feitelijke of dreigende dood of ernstige verwondingen of een bedreiging voor de fysieke integriteit van zichzelf of anderen
(2) de reacties van de betreffende persoon zijn: intense angst, hulpeloosheid, of afgrijzen.
Opmerking: Bij kinderen kan dit blijken uit: ongeorganiseerd of opgewonden gedrag.

B. De traumatische gebeurtenis wordt voortdurend herbeleefd op een (of meer) van de volgende manieren:

1) terugkerende en indringende pijnlijke herinneringen aan de gebeurtenis, inclusief beelden, gedachten of waarnemingen.
Opmerking: Bij jonge kinderen kan zich herhaald fantasiespel oordoen waardoor thema's of aspecten van het trauma worden uitgedrukt.

2) Zich herhalende pijnlijke dromen over de gebeurtenis.
Opmerking: Bij kinderen kan er sprake zijn van angstaanjagende dromen zonder herkenbare inhoud.

(3) Handelen of voelen alsof de traumatische gebeurtenis zich opnieuw voordoet (bevat een gevoel van herbeleving van de ervaring, illusies, hallucinaties en dissociatieve flashback episodes, met inbegrip van die welke voorkomen wanneer je beschonken wakker wordt.
Opmerking: Jonge kinderen,kunnen doen alsof het trauma opnieuw optreedt.

(4) Intense psychische nood bij blootstelling aan interne of externe signalen die symbool staan of lijken op een aspect van de traumatische gebeurtenis.

(5) Fysiologische reacties wanneer blootstelling plaatsvindt aan interne of externe signalen die symbool staan of lijken op een aspect van de traumatische gebeurtenis.

C. Blijvend vermijden van prikkels die verband houden met het trauma en een afstomping van de algemene reactie (niet aanwezig voor het trauma), bij drie (of meer) van de volgende: (1) Pogingen gedachten, gevoelens of gesprekken te vermijden die verband houden met het trauma.
(2) Pogingen om activiteiten, plaatsen of mensen te vermijden die doen denken aan het traum.
(3) Onvermogen om een belangrijk aspect van het trauma te herinneren.
(4) duidelijk verminderde belangstelling voor of deelname aan belangrijke activiteiten (5) gevoel van onthechting of vervreemding van anderen (6) een beperkt spectrum van affectie (bijvoorbeeld niet in staat zijn tot uitfrukken van liefdevolle gevoelens: tederheid.) (7) het gevoel geen toekomst meer te hebben bv. Geen hoop op carrière, huwelijk kinderen of een normale levensverwachting

D. Aanhoudende verschijnselen van verhoogde waakzaamheid die niet aanwezig waren voordat het trauma optrad blijkend uit twee of meer van de volgende:
(1)Moeite hebben met in slaap vallen.
(2)Prikkelbaar zijn en woedeuitbarstingen hebben.
(3)Concentratieproblemen.
(4)Verhoogde waakzaamheid.
(5)Een verhoogde schrikreactie

E. De duur van de stoornis (symptomen in criteria B, C, en D) is langer dan een maand

F. De stoornis veroorzaakt een duidelijke onbehagen of stoornis op sociaal, beroepsmatig en andere belangrijke levensgebieden


De stoornis is nader te specificeren in:
Acuut: de duur van de symptomen is korter dan 3 maanden
Chronisch: indien duur van de symptomen is 3 maanden of meer
Met verlaat begin: De aanvang van de symptomen treden ten minste 6 maanden na de stressor op.

prevalentie:

Diverse onderzoeken laten zien dat ptss voorkomt bij 1-9,2% van de bevolking, met een hogere prevalentie bij risicogroepen. Bij klinisch of wetenschappelijk onderzoek rapporteren patiënten met een psychotische stoornis in 60% tot 92% van de gevallen eerder doorgemaakte trauma's. Comorbiditeit, met vooral stemmingsstoornissen (in het bijzonder depressie), andere angststoornissen, en alcohol- en middelenafhankelijkheid, is zeer hoog.

Literatuur:Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders DSM-IV-TR. Fourth Edition (Text Revision).Washington DC: American Psychiatric Association.) font/body>
Laatste aanpassing ( zondag 16 januari 2011 21:55 )
 
Copyright © 2017 Post traumatische stress stoornis. Alle rechten voorbehouden.
Joomla! is vrije software vrijgegeven onder de GNU/GPL Licentie.
 

Wie is er online

We hebben 1 gast online